De publicatie ‘Groeien om te blijven’ van Movisie raakt een belangrijk en herkenbaar punt: professionals in zorg, welzijn en het sociaal domein hebben tijd, begeleiding en passende ontwikkelmogelijkheden nodig om goed te kunnen blijven werken. De aandacht voor werkervaring en vakmanschap is daarom meer dan welkom.

Tegelijkertijd verdient deze boodschap een kritische aanvulling. Want professionals groeien niet in een vacuüm. Wie werkelijk wil dat mensen behouden blijven voor het sociaal domein, moet niet alleen kijken naar hun ontwikkeling, maar ook naar de systemen, contracten, werkdruk en verantwoordingslogica waarbinnen zij hun vak moeten uitoefenen. Vanuit die betrokken, kritische blik is deze blog geschreven.

Er is iets geruststellends aan een ontwikkelmodel.

Een professional begint. Leert. Maakt fouten. Wordt zekerder. Ziet patronen. Ontwikkelt een eigen stijl. En groeit, als het goed is, uit tot iemand die niet alleen weet wat te doen, maar ook begrijpt waarom.

Dat is de belofte van aandacht voor werkervaring en vakmanschap. In een tijd van personeelstekorten, hoge werkdruk en een steeds complexere hulpvraag is dat een belofte die we serieus moeten nemen. Niet iedereen die de zorg, het welzijn of het sociaal domein binnenkomt, kan vanaf dag één alles dragen. Ook niet met een diploma op zak. Ook niet als zij-instromer met een rugzak vol levenservaring.

Ervaring doet ertoe. Maar de vraag is: ervaring waarin? En vooral: in welk systeem willen we dat professionals groeien?

De recente aandacht voor de verschillende fasen van werkervaring is waardevol. Een beginnende professional heeft iets anders nodig dan een ervaren kracht. De één heeft baat bij overzicht, nabijheid en duidelijke kaders. De ander bij ruimte om af te wegen, te experimenteren en verantwoordelijkheid te nemen. Een expert heeft misschien minder behoefte aan instructie, maar juist meer aan tegenspraak, verdieping en een omgeving die blijft uitdagen.

Dat is geen zwaktebod. Het is een nuchtere erkenning van de werkelijkheid.

Want wie verwacht dat een starter meteen zelfstandig complexe veiligheidsafwegingen maakt, een overbelast gezin door het woud van voorzieningen loodst én feilloos samenwerkt met school, huisarts, wijkteam en jeugdbescherming, vraagt niet om vakmanschap. Die vraagt om een wonder.

Goede begeleiding voorkomt dat mensen te vroeg afhaken. Zij helpt professionals om taal te vinden voor twijfel, om fouten te bespreken voordat zij schade veroorzaken, en om geleidelijk vertrouwen op te bouwen in het eigen handelen.

Maar daar begint ook de ongemakkelijke vraag.

Want wat als de professional wel wil groeien, maar de organisatie daar geen tijd voor heeft?

In veel organisaties is ontwikkeling iets wat moet gebeuren tussen twee afspraken door. Reflectie staat in de agenda, maar wijkt als de caseload oploopt. Intervisie is belangrijk, maar wordt afgezegd omdat de wachtlijst langer wordt. Supervisie is wenselijk, maar niet altijd declarabel. En een ervaren collega die een starter zou kunnen begeleiden, draagt zelf al meer dossiers dan verantwoord is.

Dan krijgt leren een merkwaardige positie.

We zeggen dat medewerkers moeten groeien, maar organiseren hun werk alsof zij al klaar zijn. We vragen om professionele oordeelsvorming, maar zetten daar formats, doorlooptijden, productcodes en verantwoordingssystemen tegenover die vooral vragen om voorspelbaarheid. We beloven ruimte voor maatwerk, zolang dat maatwerk binnen het contract, de beschikking en het vooraf bepaalde aanbod past.

Zo wordt vakmanschap soms een privé-opgave van de professional: wees weerbaar, blijf leren, bewaak je grenzen, volg een training, zoek een coach.

Maar wie naar de werkelijkheid van het sociaal domein kijkt, weet dat dit te gemakkelijk is.

Een professional valt niet altijd uit omdat hij of zij onvoldoende ontwikkeld is. Soms valt iemand uit omdat het systeem onvoldoende ontwikkeld is.

De beweging Van markt naar mens stelt daarom een andere vraag. Niet alleen: hoe maken we professionals beter? Maar ook: hoe maken we het werk weer mogelijk?

Dat verschil is groot.

Want een professional kan nog zo ervaren zijn, als ieder contact moet worden vertaald naar een product, als samenwerking afhankelijk is van losse contracten, als hulpverlening telkens van aanbieder wisselt en als de tijd voor het goede gesprek wordt opgeslokt door registratie, dan loopt vakmanschap vast.

Niet op gebrek aan kennis. Maar op gebrek aan ruimte.

Vakmanschap is immers meer dan routine. Het is de kunst om te zien wat er in deze situatie nodig is. Om niet alleen naar de hulpvraag te luisteren, maar ook naar wat daaronder schuilgaat: een huis dat dreigt te verdwijnen, schulden die de rust uit een gezin trekken, een kind dat op school niet meer mee kan, een ouder die al te vaak zijn verhaal opnieuw heeft moeten vertellen.

Daarvoor zijn geen professionals nodig die vooral sneller door de systemen leren bewegen.

Daarvoor zijn professionals nodig die mogen vertragen wanneer dat nodig is. Die hun oordeel kunnen gebruiken. Die samen met inwoners, gezinnen en collega’s kunnen zoeken naar wat werkt. En die niet na ieder besluit hoeven te bewijzen dat zij precies binnen het vakje zijn gebleven.

Ook het idee van fasen vraagt om bescheidenheid.

Iemand kan zeer ervaren zijn in de jeugdhulp en toch zoekend zijn in het werken met armoedeproblematiek. Een stevige wijkteamprofessional kan deskundig zijn in het opbouwen van vertrouwen, maar nog een beginner in cultuursensitief handelen. Een beleidsmaker kan alles weten van wet- en regelgeving, maar weinig begrijpen van wat een gezin ervaart wanneer drie instanties allemaal iets anders vragen.

Expertise is niet een hoge toren waarin je eenmaal bent aangekomen. Het is eerder een landschap. Je kent sommige paden op je duimpje. Op andere plekken heb je een kaart nodig. En soms moet je gewoon weer aan iemand vragen welke kant je op moet.

Dat maakt professionele ontwikkeling ook tot iets collectiefs. Niet de individuele professional die zich steeds verder opwerkt, maar teams die elkaar aanvullen. Niet de expert die het antwoord heeft, maar de collega die weet wanneer een andere blik nodig is.

In veel gesprekken over vakmanschap gaat het over werkgever, medewerker, opleiding en beroepsgroep. Terecht. Maar er ontbreekt soms iemand aan tafel: de inwoner zelf.

Juist in de ontmoeting met mensen wordt zichtbaar of vakmanschap werkelijk werkt. Niet als klanttevredenheidscijfer onder een enquête. Maar in vragen als: voelde iemand zich gezien? Werd er geluisterd zonder dat het verhaal meteen in een format moest? Kwam de ondersteuning op tijd? Mochten gewone oplossingen bestaan naast professionele hulp? Bleef er iemand als het ingewikkeld werd?

Wie professionals wil laten groeien, moet inwoners en gezinnen niet alleen zien als ontvangers van hulp. Zij zijn ook leermeesters. Zij laten zien waar systemen vastlopen, waar taal tekortschiet en waar professionele goede bedoelingen niet landen in het dagelijks leven.

Dat vraagt om een andere vorm van verantwoorden. Minder kijken naar afgevinkte handelingen. Meer luisteren naar wat er in het leven van mensen verandert.

De kern is eenvoudig, al is de uitvoering dat allerminst.

Professionals hebben begeleiding nodig. Tijd om te leren. Collega’s die kunnen spiegelen. Een passende caseload. Een veilige omgeving waarin twijfel geen teken van onkunde is, maar een begin van zorgvuldig handelen.

Maar zij hebben ook iets anders nodig: een stelsel dat niet voortdurend trekt aan de relatie die zij met mensen proberen op te bouwen.

Wie wil dat professionals blijven, moet niet alleen investeren in hun ontwikkeling. Die moet ook investeren in de voorwaarden waaronder ontwikkeling betekenis krijgt:

  • Continuïteit in teams en relaties;
  • Tijd voor intervisie, supervisie en gezamenlijke reflectie;
  • Professionele zeggenschap;
  • Ruimte voor maatwerk;
  • Samenwerking die niet telkens opnieuw hoeft te worden ingekocht;
  • En publieke regie die niet controle, maar vertrouwen als vertrekpunt neemt.

Dan wordt groeien geen verplichting die naast het werk moet plaatsvinden.  Dan wordt groeien onderdeel van het werk zelf.

“Groeien om te blijven” is een mooie gedachte. Maar uiteindelijk moeten we scherper zijn.

Professionals moeten niet alleen blijven omdat organisaties hen hard nodig hebben. Zij moeten kunnen blijven omdat het werk betekenisvol, zorgvuldig en menselijk georganiseerd is. Omdat zij verschil kunnen maken zonder zichzelf te verliezen. Omdat zij niet worden afgerekend op alles wat het systeem tekortschiet, maar worden gesteund om samen met anderen te doen wat nodig is.

Dat is de beweging die nodig is. Niet van beginner naar expert als een rechte lijn omhoog.

Maar van markt naar mens. Van productie naar relatie. Van individuele weerbaarheid naar collectieve verantwoordelijkheid. En van professionals die zich moeten aanpassen aan het systeem, naar een systeem dat eindelijk ruimte maakt voor vakmanschap.